Ben je alleen geïnteresseerd in wat algemene gegevens en een kort overzicht van mijn palmares, dan raad ik je aan 'Kathleen in een notendop' te raadplegen. Maar wil je een meer uitgebreid portretje, dan kan hieronder meer te weten komen over ...

    - het prille begin

    - mijn zorgeloze kindertijd                 

    - een zwemmende tiener

    - mijn universiteitsjaren

    - de sportieve doorbraak

    - de topjaren

 


 

KATHLEEN IN EEN NOTENDOP

 

§          Naam: Kathleen Smet

§          Adres: Kerkstraat 63C, 3920 Lommel

§          Telefoonnummer: 011/55.56.22

§          Geboortedatum: 19 januari 1970

§          Geboorteplaats: Beveren

§          E-mail: kathleensmet@hotmail.com

§          Burgerlijke stand: gehuwd met Niko Kopriva

§          Lengte: 1m63

§          Gewicht: 56kg

§          Studies:  - licentiaat Lichamelijke Opvoeding (V.U.B., 1993)

                    - licentiaat in de Motorische Revalidatie en Kinesitherapie (V.U.B., 1995)

                    - posthogeschoolvorming specialisatie Sportkinesitherapie (KaHoG, 1997)

§          Beroep: triatlete

§          Club: De Lommelse Triatleten

§          Team: het ARINSO-BIK Triatlon Team

§          Sponsors: BLOSO, Arinso, BIK, Nike, Minerva, Maximize, Hyundai

§          Begeleidingsteam:          

                    - Jan Olbrecht: inspanningsfysioloog

                    - Pieter Timmermans: trainer-coördinator

                    - Frank Dewitte: kinesitherapeut

                    - Patrick Teirlinck: zwemtrainer

                    - Ilse Vaes: diëtiste

                    - Peter T’Seyen: sportarts

                    - Bert De Cuyper: sportpsycholoog

§          Palmares:

-     6x Belgisch kampioene triatlon: 1996, 1998, 2000, 2002, 2003, 2004, 2005

-     2x universitaire wereldkampioene triatlon: 1996, 1998

-     2x Europees kampioene triatlon: 2000 en 2002

     andere prestaties op EK: 5e in 1999, 2e in 2001, 3e in 2003

-     2e op WK Triatlon Lange Afstand in Nice (2002)

-    1e op WK Triatlon Lange Afstand in Fredericia (2005)

-     5e op WK Triatlon OD in Edmonton (2001)

-     4e op de Olympische Spelen in Athene (2004), 16e op de Spelen van Sydney (2000)

-     1e op ITU World Cup van Corner Brook (2004)

-     beste positie ITU-wereldranglijst: 4e (2002)

-    2004: 'Triatleet van het Jaar'

 


HET PRILLE BEGIN

 

Het zou 19 januari 1970 zijn geweest, mijn geboorte in het Sint-Anna Ziekenhuis van Beveren. Mijn moeder Magda Uytdenhouwen had zonet het zwaarste werk geleverd, papa Jozef Smet was de helpende hand. Antoon Smet en Leonie Laenen-Uytdenhouwen werden respectievelijk peter en meter.

Al snel trok ik er opuit. Zo was ik tijdens mijn eerste kerstfeest ten huize van bomma en bompa naar de restjes van de kerstkalkoen gekropen die bij de hond waren gedeponeerd. De hond stelde mijn aanwezigheid echter niet op prijs: hij beet mij juist onder mijn linkeroog. Sindsdien heb ik dus een hemelse schrik van honden.

 

    

[terug naar top]

 

MIJN ZORGELOZE KINDERTIJD

 

Nadat ik enkele jaartjes aan het mensenleven had kunnen wennen, trok ik in 1973 naar de Sint-Anna school voor mijn eerste schooldag. En ook hier was er geen houden aan. Er was een trap in de gang waar het ten strengste verboden was om op te kruipen. Dat was dan natuurlijk net wat ik deed, met een eerste straf tot gevolg.

 

Voor de verveling echt kon toeslaan kreeg ik er in mei '74 een speelkameraadje bij: zusje Mieke. Vanzelfsprekend had ik voorlopig nog geen tijd gehad mij op sportief vlak te specialiseren; het leven had nog zoveel verrassends te bieden. In 1976 kwam daar enigszins verandering in: mijn ouders ondernamen een eerste poging om me te leren zwemmen. Ik had enorm veel schrik van water. Wekelijks werd de buurt bijeen geschreeuwd als mijn haren moesten worden gewassen en er water in mijn ogen kwam. Dat jaar ging ook het Gemeentelijk zwembad in Beveren open. Hier werd dan iedere week met de lagere school gezwommen. En zo heb ik dan toch leren zwemmen.

 

 

In 1977 schreven mijn ouders me in bij de turnclub en de tekenschool. Naar het turnen ben ik tot mijn 17e altijd met volle goesting blijven gaan. De tekenklas was echter niet aan mij besteed; vooral dat stilzitten was voor mij een 'straf'.

[terug naar top]

 

 

EEN ZWEMMENDE TIENER

 

Raar maar waar: in datzelfde jaar wou ik terug naar de zwemclub omdat mijn beste vriendinnetje daar naartoe ging. Na vele vijven en zessen schreven mijn ouders me daar in. Eerst zat ik bij de beginnelingen. Maar toen ik me eens van dag had vergist en ze mij toch maar moeilijk naar huis konden sturen mocht ik met de gevorderden meezwemmen. Daar heb ik dan voor het eerst getracht om crawl te zwemmen. En dat moet blijkbaar zijn meegevallen, want op 't eind van dat jaar zwom ik mijn eerste competitie: 100m crawl en 100m schoolslag. Ik had al onmiddellijk een medaille gewonnen, terwijl ik toch de jongste in mijn categorie was. Wel was mijn schoolslag sneller dan crawl. Dit was misschien al een teken dat ik gemaakt was om schoolslag te zwemmen.

Er zijn soms momenten in een mensenbestaan waarbij men eens goed wordt dooreengeschud en eraan wordt herinnerd hoe goed men het wel heeft. Zo'n moment speelde zich af op een avond eind 1979, toen mijn papa, zus Mieke en ikzelf na het avondeten tv keken terwijl mijn mama aan 't afwassen was. Ineens hoorden we glas rinkelen. We dachten dat ze iets had laten vallen, maar niets was minder waar: ze was door het deurraam gevallen en bloedde hevig aan haar arm en beide benen. Onze buurman was al over de haag gesprongen en had een handdoek van de draad getrokken om de wonden af te binden. Ik ben ervan overtuigd: als niemand of enkel mijn zus en ik thuis waren geweest, dan was mijn moeder doodgebloed.

 

 

 

We keren terug naar het zwembad. Na een paar trainingsjaartjes werd ik in 1980 provinciaal kampioen en recordhouder in de categorie van de 'eendjes' (8-10 jaar). Ik zwom op dat ogenblik voornamelijk met jongens en 'k liet me zeker niet doen. Op een dag duwde ik, na wat trek- en duwwerk aan de rand van het bad, een jongen in het water. Hij had zich echter zodanig verzet dat hij niet echt goed in het water landde. Gevolg: een gebroken arm voor hem. Oeps!! In augustus van datzelfde jaar volgde een tweede gezinsuitbreiding: broertje Karel werd geboren.

 

1981 was het jaar van mijn overgang naar de middelbare school van het Anna Piers Instituut. Het eerste jaar dat de school gemengd was zaten er welgeteld 2 jongens in onze klas 1 Ac VSO. Datzelfde jaar ook weer een trieste gebeurtenis: mijn peter sterft op 84-jarige leeftijd. En in 't zwemmen nam ik voor 't eerst deel aan de Belgische jeugdkampioenschappen.

 

Door de hondenbeet eind ’70 en een gevecht met mijn zus dat voor mij minder goed afliep - ik viel met m'n linkeroog op de rand van de geluidsbox - zag ik een beetje scheel en werd hiermee gepest, zowel op school als in de sportclubs. Ik wou persé dat daar iets aan zou worden gedaan terwijl de dokters me nog wat jong vonden en wilden dat ik wachtte totdat ik de leeftijd had om 'achter de jongens te lopen'. Op mijn papa zijn verjaardag van 1982 werd ik dan toch geopereerd. Ik mocht een maand niet naar school, maar met de hulp van een vriendin en mijn papa kon ik me thuis bijwerken. Mijn examens in december waren dan ook fantastisch. Ik won mijn eerste echte trofee op het interdistrict, een wedstrijd waarbij in elke categorie de beste van elke provincie het tegen elkaar opnemen: een mooie kristallen vaas.

 

     

 

In 1983 verhuisde ik voor een jaar naar de Broederschool: eindelijk meer jongens in mijn klas! Verder won ik een eerste Belgische zwemtitel in mijn leeftijdscategorie.

 

De laatste 3 jaar van mijn humaniora heb ik gedaan in Melsele. Dit werd dagelijks 3km heen en 3km terug per fiets. Op de winter- en zomerkampioenschappen bij de senioren zwom ik een  finale; ik werd uiteindelijk 4e. Eind 1984 werd ik als beloning gepréselecteerd voor OS van Seoul. Het werd een eerste prille kennismaking met de topsport: stages, inspanningstesten in Louvain-La-Neuve, wedstrijden met nationale ploeg en het eerste contact met Jan Olbrecht. Ik herinner me  dat ik op mijn eerste test 400m crawl moest zwemmen, maar ik vergiste me en stopte al na 350m waardoor Jan en Herman Verbauwen begonnen te schreeuwen. Toen zwom ik snel verder en stopte natuurlijk pas na 450m. Ik heb toen wel vaak afgezien op die trainingsstages: ik was nog jong en niet veel training gewoon. Dus werden het aantal trainingen bij mijn eigen club opgedreven door ook ’s ochtends voor schooltijd met mijn papa te gaan zwemmen  in de 'Wezenberg' in Antwerpen. Vanaf dat moment is mijn vader zich meer en meer gaan verdiepen in de trainingsleer; hij werd mijn zwemtrainer. Met zijn hulp behaalde ik prachtige resultaten. Het was wel niet altijd (lees: vaak) makkelijk, maar dit heeft wel mijn karakter gevormd. Het werd het fundament waarop ik een mooie (triatlon)carrière heb kunnen uitbouwen.

 

Vooraleer hier echter sprake van was werden mijn middelbare studies in de 'wiskunde-wetenschappen' afgerond. Door tijdsgebrek was ik genoodzaakt te stoppen met turnen. In 1986 had ik me wel al eens gewaagd aan een halve marathon zonder enige specifieke looptraining; met een tijd net onder 1u30min kon ik best tevreden zijn.

[terug naar top]

 

 

MIJN UNIVERSITEITSJAREN

 

In '87 vertrok ik richting Brussel om op de V.U.B. als topsportstudent de opleiding 'bio-ingenieur' te volgen. Er werd echter te weinig gestudeerd en ietsjes te veel van het studentenleven geprofiteerd. Dus gebuisd en 10kg extra lichaamsgewicht erbij. Het daaropvolgende jaar stapte ik dan over naar de Lichamelijke Opvoeding. Dit lag me duidelijk beter: geslaagd in eerste zit en ook 4kg lichter. In diezelfde periode moest ik wel drie keer mijn rijexamen afleggen, enerzijds door mijn lesgever op de rijschool die liever zijn baas wat ging uitschelden dan mij te leren autorijden, anderzijds door mijn examinator die mij droogjes melde dat ik ondanks het feit ik niets echt slecht had gedaan toch niet voldeed.

 

 

Nadat ik door een aantal triatleten in het zwembad werd aangespoord om ook eens aan een wedstrijdje deel te nemen, was het in 1990 zover: mijn eerste triatlon in Mechelen, tevens mijn eerste en laatste triatlon als junior. Ik kwam als zwemster voor alle mannen uit het water, ik was nog beste vrouw na het fietsen maar in het lopen ben ik 'kopje onder' gegaan. Velen wezen me na en zeiden: "Amai, wat komt die dikke hier doen." Ik moet zeggen dat dit een zeer deprimerende en frustrerende ervaring was.

 

De eigenlijke start van mijn triatloncarrière was in 1991 met de eerste deelnames aan Belgische superprestigewedstrijden. Ik kon dat jaar zelfs een eerste overwinning boeken in Ieper. Door mijn universitaire studies bleef het wedstrijdprogramma gedurende de daaropvolgende jaren eerder beperkt - zwemmen kreeg trouwens nog de sportieve prioriteit. Kwam daar nog bij dat ik in die periode mijn ventje Niko (beter) leerde kennen. En dit maakte het niet altijd eenvoudig om ’s ochtends vroeg op te staan en in het frisse zwembad te duiken om baantjes te trekken. Toen dus nog geen ijverig trainende Kathleen, maar wel een meid die af en toe eens een training ‘skipte’.

In 1994 kreeg ik een eerste signaal dat er misschien toch wat triatlontalent in mij zat. Doordat één van de geselecteerde Belgische atletes moest afhaken kreeg ik de kans om deel te nemen aan de Universitaire Wereldkampioenschappen Triatlon in Nantes (Frankrijk), alwaar ook Mieke Suys de Belgische kleuren moest verdedigen. Het werd een onverhoopt succes: met een zeer korte voorbereiding behaalde ik brons, achter gouden Mieke en de Hongaarse Varga. En als teken van erkenning kreeg ik van de Belgische Universitaire Sportfederatie dat jaar de ‘Trofee voor Sportverdienste’.

 

 

 

In het daaropvolgende jaar behaalde ik na mijn licentie in de Lichamelijke Opvoeding een tweede diploma als licentiaat in de Motorische Revalidatie en Kinesitherapie; mijn Brusselse studentenjaren liet ik definitief achter mij. Ik heb al die jaren gebruik kunnen maken van het VUB-project 'Topsport en Studie', maar helaas stonden niet alle academici/mentors volledig achter deze combinatie. Zo kreeg ik ooit tijdens een stage in het UZ van Jette van één van mijn begeleiders te horen dat een kiné-opleiding en een vrij intensief trainingsregime niet konden samengaan. Het kon niet zijn dat ik voor trainingen een half uurtje vroeger doorging, zelfs indien alle werk was gedaan en ik alle medische dossiers meerdere malen doorgenomen had. Doch laat dit duidelijk zijn: ik ben blij dat ik als topsportstudent op de VUB heb gezeten. Paul De Knop en z'n team hebben schitterend (pioniers)werk verricht.

[terug naar top]

 

 

DE SPORTIEVE DOORBRAAK

 

Het studeren was gedaan. Wat nu? Moest ik werk zoeken en als recreatief triatlete actief blijven. Of zou ik toch trachten uit te zoeken of ik mij als triatlete verder zou kunnen ontwikkelen? Niko en ik kozen voor dit laatste. Ik werkte wel enkele uurtjes op de VUB als kinesiste, maar ik kreeg bij het RIDER-team met o.a. Rob Barel en Luc Van Lierde de ondersteuning die ik nodig had om semi-professioneel met het triatlonvak bezig te zijn. Een pluspunt was natuurlijk ook dat mijn man en ik financieel nog niet al te veel zorgen kenden. We woonden beiden nog bij onze ouders en Niko vond al vrij snel een baantje in het onderwijs. Op sportief vlak kan ik mij uit 1995 drie races zo voor de ogen halen. Er was vooreerst mijn derde plaats op het Belgisch Kampioenschap Kwarttriatlon in Menen. Niet direct een uitzonderlijk resultaat, ware het niet dat ik Jeaninne De Ruysscher en Mieke Suys op achterstand had gezwommen en in mijn eentje op de fiets nog kon uitlopen, tot verrassing van velen – ook Paul Van Den Bosch was tijdens de rechtstreeks tv-uitzending vol lof. De anderhalve minuut voorsprong kon ik tijdens het afsluitende loopnummer echter niet vasthouden. In Landen (BK ½ Triatlon) slaagde ik erin tijdens het lopen Mieke Suys bij te halen; ik werd er tweede achter de onvermijdelijke ‘JDR’. En tenslotte was er nog het EK in Stockholm. Op mijn eerste Europees kampioenschap kwam ik als eerste uit het water, maar tijdens de daaropvolgende wissel viel pardoes mijn voorwiel uit de vork –  dit raadsel blijft nog steeds onopgelost. Ik verliet hierdoor als laatste de wisselzone en na een uitzichtloze inhaalrace zou ik uiteindelijk 26e worden.

 

1996 werd een eerste succesvolle kennismaking met de internationale scène. Met o.a. een drietal tweede plaatsen werd ik uiteindelijk 3e in de eindrangschikking van het Europese circuit. Voorts behaalde ik een eerste  Universitaire Wereldtitel in Liberec, werd ik voor ’t eerst Belgisch kampioene in Mol en eindigde ik 7e op het EK. Ik had samen met Niko de trainingsschema’s uitgetekend, dit alles onder de supervisie van Jan Olbrecht. Eigenlijk was het een prachtig seizoen, maar er was eveneens een (te) grote drang naar meer.

Ik nam het besluit in ’97 samen te werken met Louis Delahaye, in een vorig leven begeleider bij het Rabobank wielerteam en heden ten dage coach van het Duitse nationale triatlonteam. Het werd een serieuze afknapper, een echt rampjaar. De ellende begon al in Mallorca, alwaar ik tijdens de paasvakantie met het RIDER-team op trainingsstage was. Alles was perfect verlopen, tot aan de allerlaatste maaltijd vlak voor ons vertrek naar huis: een voedselvergiftiging. En ik ben dit dat jaar nooit te boven gekomen. Door overtraining kwam ik niet zelden uitgeblust aan de start van een wedstrijd. Versnellen en/of afzien zat er dus nooit in, de resultaten bleven alzo natuurlijk ook uit. Soms was het zelfs zo erg dat ik moest opgeven (bv. op het EK), iets wat me voorheen nog nooit was overkomen. Het werd een seizoen om snel te vergeten, maar de gevolgen waren nefast. Ik verspeelde mijn preselectie voor de Spelen van 2000 in Sydney en de  hieraan verbonden financiële ondersteuning. En RIDER wilde de sponsoring niet verlengen. Gelukkig kon ik dat jaar nog met een zeer positieve noot eindigen: ik stapte met Niko in het huwelijksbootje.

 

1998: ik moest weer helemaal van voor af aan beginnen en bewijzen dat 1997 slechts een ‘accident de parcours’ was. Ik kwam in contact met het team van Paul Van Den Bosch en COLNAGO; zij zouden mij het vertrouwen geven dat ik nodig had om weer naar mijn oude niveau terug te keren. En op trainingsvlak deed ik weer beroep op de deskundigheid van Jan Olbrecht; hij moest de man worden die mij voor de rest van mijn triatlondagen diende te begeleiden, dit stond nu wel vast. Ik moest de spelen terug in mijn vizier krijgen, en dit leek te lukken. Zo verlengde ik mijn Universitaire Wereldtitel in Kiel (ik had nog een postgraduaat Sportkinesitherapie gevolgd), won ik voor een tweede maal het BK, behaalde ik een mooie 6e plaats op de wereldbekerwedstrijd van Corner Brook en werd ik respectievelijk 11e en 14e op het EK en WK. Gevolg: BOIC en BLOSO zegden terug hun financiële steun toe. Mijn triatloncarrière leek terug gelanceerd.

 

 

 

Met het oog op een selectie voor de Spelen van Sydney werd in ’98 al deelgenomen aan een aantal ITU-wereldbekerwedstrijden, om alzo voldoende punten bijeen te sprokkelen voor de wereldranglijst - de positie op de wereldranglijst was medebepalend. In ’99 zou deze lijn worden aangehouden: het programma dat werd afgewerkt bestond vooral uit internationale ITU-(wereldbeker)wedstrijden. Het mocht geen probleem zijn te voldoen aan de internationale normen voor deelname aan de Spelen van 2000, maar de BOIC-normen halen leek wat moeilijker. Alle triatleten dachten een eerste kans tot een selectie te krijgen tijdens het EK van ’99 op Madeira, Luc Van Lierde incluis. In de vrouwenrace werden Mieke en ik mooi 4e en 5e. Euforie alom: ‘Sydney, here we come’. Dit was echter buiten het BOIC gerekend. We konden ons blijkbaar niet kwalificeren in Madeira. Dit gelde trouwens ook voor Luc. Dan moest het maar in het olympisch jaar zelf gebeuren.

 

Niets werd aan het toeval overgelaten. Er werd een Australische stage van drie maanden ingelast, beginnend in februari en eindigend met het WK in Perth eind april. Het werd een onvergetelijke ervaring. Australische triatleten hebben jaren de internationale triatlonscène gedomineerd. In 2000 is mij duidelijk geworden waarom. Uiteraard bezitten ze ‘Down Under‘ het klimaat dat toelaat continu in ideale weersomstandigheden te trainen. Maar dit is slechts voor een klein deel de verklaring. Australië is een land met een échte sportcultuur. En dit merk je aan alles: er is enorm veel respect voor geleverde sportprestaties, de mensen aldaar zijn véél actiever met sport bezig dan hier ten lande, hun sportinfrastructuur is hieraan aangepast (zo herinner ik mij nog dat er in Perth in een straal van 20 km 4 olympische zwembaden waren), de gedrevenheid waarmee men daar aan topsport doet is bewonderenswaardig, de sporttechnische en –medische begeleiding is van het beste op aarde. Dan is het geen toeval meer dat Australië op sportvlak top is. En ik kwam dus in dit milieu terecht. Ik leek optimaal voorbereid te zijn op het WK in Perth; het moest daar gebeuren. Maar helaas, het lukte niet. Ik moest bij de beste 16 eindigen, maar werd uiteindelijk 22e, zij het wel op een parcours dat in ’t lopen dik 2 km te kort bleek te zijn. Er zou voor mij dus nog maar één kans meer komen: het EK in Stein, alwaar ik bij de eerste 12 moest zijn.

Door gemakkelijke winst in een aantal voorbereidende Nederlandse wedstrijden beschouwde men mij een paar weken voor het EK als één van de favorieten op de titel. Dit was nieuw voor mij. “Kathleen één van de favorieten? Dat kon toch niet?”, dacht ik. Het kon dus wel. Ik stond wenend en ‘kapot van de zenuwen’ aan de start. Het was koud en regenachtig weer. Na het zwemmen kon ik me bij de kopgroep aansluiten. Op één van de eerste heuvels raakte ik samen met de Britse Dibens en de Zwitserse Messmer voorop. We konden tijdens het fietsen een aanzienlijke voorsprong uitbouwen, zodat ik al vrijwel zeker kon zijn van een podiumplaats bij aanvang van de afsluitende 10 km. Maar het werd nog beter: ik kon Messmer, één van de betere loopsters uit het circuit, achterlaten en zo Europees kampioene worden! Wat een droom, mijn eerste echte topmoment.

 

 

 

De Spelen werden helaas een afknapper. De dag voor mijn vertrek naar Australië was ik tijdens de Internationale Triatlon van Genève zwaar (op mijn aangezicht) gevallen: tand gebroken, diepe wonden aan handen en aangezicht, gezwollen knie/dij. Even kwam mijn deelname aan de Spelen in ’t gedrang. Maar door het kordate optreden van o.a. Jan Olbrecht en kinesist Frank Dewitte kon ik toch afreizen. Het grote probleem waren echter mijn wonden: het was niet mogelijk voluit mijn zwemtrainingen af te werken. De voorbereiding was dan ook niet optimaal. Tijdens de olympische race kon ik mijn kansen niet ten volle verdedigen; door mijn handkwetsuur kwam ik pas als 49e uit het water en miste alzo de aansluiting met de kopgroep. Er zat uiteindelijk niet meer in dan een magere 16e plaats. Wel haalde ik uit deze race de motivatie om er nog eens 4 jaar bij te doen: met mijn looptijd had ik mogelijk met de topdames kunnen meestrijden voor een podiumplaats. In Athene moest het dus beter worden.

[terug naar top]

 

 

DE TOPJAREN

 

Het postolympische jaar 2001 startte in Zuid-Afrika. Na een hoogtestage in Potchefstroom - dit werd de plaats waar ik sindsdien jaarlijks mijn seizoen voorbereid(de) – kon ik tweede eindigen in mijn eerste IRONMAN, dit achter de alom bekende Duitse Nina Kraft. Zo had ik mijn ticket voor Hawaii veiliggesteld. Uit dit resultaat had ik weer best wat vertrouwen geput. En nadat ik in de beginjaren het vaak moest laten afweten in de afsluitende loopproef had ik ook hier het gevoel dat ik in 2000 een serieuze stap voorwaarts had gezet: “Dat ze er mij maar proberen af te lopen!” Eén van de topprioriteiten was het bevestigen van de Europese titel van het jaar voordien. Er was in 2001 echter een probleem: Door interne strubbelingen organiseerde zowel de ITU en de ETU een apart EK. In de hele discussie wilde ik eigenlijk geen standpunt innemen; ik zou dan ook aan beide wedstrijden deelnemen. Gevolg: ik werd eerst ‘Regionaal Kampioene’ (lees: Europees kampioene) in Sevilla voor de wereldbond en een drietal weken later eindigde ik 2e op het eigenlijke EK van de ETU in Carlsbad. Ik kan me nog levendig herinneren dat het in Spanje enorm warm was (meer dan 40° C), waardoor er zelfs net voor de start triatletes flauwvielen. In Carlsbad kwam ik een drietal weken later na een prachtige wedstrijd op het ereschavot terecht. In deze laatste race moest ik het opnemen tegen het volledige Britse damesteam. Tijdens de fietsproef was ik samen met Wieke Hoogzaad en Joëlle Franzmann weggeraakt. Maar de Britse dames zette gezamenlijk de achtervolging in. Het zag er aan ’t begin van de 10 km lopen niet zo goed uit; de voorsprong was ogenschijnlijk te klein om de uiterst sterke Britse loopsters af te houden. Na 2 van de vier looprondes werd ik door drie dames bijgehaald; een plaats bij de eerste 5 leek toen het hoogst haalbare. Doch ik kon in de laatste kilometers terug versnellen; ik strandde tenslotte op enkele seconden van winnares Michelle Dillon. Het was net geen tweede Europese titel, doch ik had aan de buitenwereld laten zien dat ik tot de beste triatletes van Europa behoorde. Een derde hoogtepunt dat jaar was mijn 5e plaats op het WK in Edmonton (Canada). Hier had ik (nogmaals) kunnen aantonen dat ik stilletjes aan tot de betere loopsters van het circuit ging behoren: nadat een groep van een 30-tal atletes samen de laatste wisselzone binnenliepen kon ik dan toch nog 5e eindigen – en weer eerste Europese. Na winst in de ½ triatlon van Gerardmer had ik nog één doel voor ogen: de IRONMAN van Hawaii. De verwachtingen waren hooggespannen: ik ging minstens voor top-10, en als het even kon voor het podium. Hawaii 2001 werd echter de grootste teleurstelling van mijn triatlonloopbaan. Na het zwemonderdeel was er nog niets aan de hand, maar al vroeg in de fietsproef kreeg een paar mentale tikken die ik nooit meer te boven was gekomen: drinkbussen die ik kwijtspeelde, triatletes die mij voorbij zoefden, straftijd voor vermeend stayeren. En bovenop dit alles nog een nietsontziende zijwind – het was één van de zwaarste edities. 180 km op zich is al lang, maar als dit dan nog moet gebeuren met een volledig door angst verkrampt lichaam (angst om door een windstoot te vallen), dan is het onbegonnen werk. Door opkomende rugklachten wilde ik er al na een 70-tal km de brui aan geven, doch ik bereikte toch nog de tweede wisselpost. Na het uitzitten van mijn straf en een km voorwaarts slenteren, gaf ik volledig gedesillusioneerd op. Nooit nog heb ik zo diep in de put gezeten als toen die dag. Gelukkig kon ik het seizoen nog afsluiten met een opsteker: winst in Athene op het olympisch parcours. 2001 was weer een mooi jaar geweest, maar in Hawaii had ik kennisgemaakt met de Hel.

 

 

 

2002 dan, een overgangsjaar met de blik op Athene 2004. Zaak was om verder te groeien naar een (nog) hoger niveau. En was 2001 al niet slecht, 2002 zou nog beter worden. Ik werd namelijk op een vlak parcours voor de tweede maal Europees kampioene triatlon; in de sprint had ik kunnen afrekenen met de Britse Cave. Nadien kon ik mijn eerste podiumplaatsen behalen op ITU wereldbekerwedstrijden (Corner Brook en Lausanne), met als gevolg een 4e positie op de ITU-wereldranglijst. Als klap op de vuurpijl werd ik in september van dat jaar in Nice vice-wereldkampioene triatlon op de lange afstand. Deze laatste prestatie kreeg in de Belgische pers nog de meeste weerklank. Ik had hiervoor wel weer een aantal uurtjes moeten afzien. Vooraf ging ik voor niets minder dan de titel: het zware fietsparcours was immers op mijn lijf geschreven. Maar het liep andermaal anders. Tijdens een beklimming kreeg ik weer een mentale tik te verwerken toen ik ten onrechte een straf kreeg aangesmeerd voor stayeren. Ik begon ook pas als vijfde aan de afsluitende 30 km lopen. In ’t begin liep het hierin vlot: de Duitse koploopster Inez Estedt was nog nauwelijks bij te halen, maar na de helft van het looponderdeel lag ik in 2e positie. Maar helaas, het ergste moest nog komen. De Spaanse Berasategui haalde mij terug in en ikzelf zat er helemaal door; ik dacht aan stoppen. Mijn echtgenoot Niko kon mij echter weer op gang schreeuwen. En de wedstrijd kantelde weer in mijn voordeel toen ook mijn Spaanse concurrente een klop van de hamer kreeg. Voor een tweede maal kon ik haar voorbijlopen, en nu was het definitief. Mijn zilveren plak zou ik niet meer afgeven. Doodvermoeid maar diepgelukkig liep ik over de eindmeet. Als toetje op dit schitterende jaar kreeg ik van de stad Lommel de 'Gouden Erepenning'. En hier ben ik nog altijd zeer trots op. Wat een afsluiter!!!

 

   

 

Over 2003 kan ik kort zijn. Ik wou zo snel mogelijk mijn ticket voor Athene bemachtigen. Met de resultaten van 2002 in ’t achterhoofd kon/mocht dit eigenlijk niet mislopen, zeker ook niet in de stimulerende omgeving van het BIK Triatlon Team. De voorbereiding verliep echter niet naar wens: door een paar kleinere maar irritante fysieke kwaaltjes kon nooit echt voluit worden doorgetraind. Dé doelstelling bleef echter overeind: op het EK een vierde achtereenvolgende podiumplaats behalen en hierdoor snel van alle kwalificatiezorgen voor Athene verlost worden. Het Europees Kampioenschap was voor een tweede maal in drie jaar in Carlsbad. Het loopparcours was wat lichter gemaakt, maar de loodzware fietsproef moest er weer voor zorgen dat de toploopsters hun grootste krachten verspeelden. Het kwam allemaal uit. Na het zwemmen kon ik in ’t gezelschap van een paar Britse dames naar de kop toe fietsen en het tempo hooghouden. Door de eerder opgelopen trainingsachterstand moest ik voldoende voorsprong bijeenfietsen om een kans te maken op een nieuwe podiumplaats. Ik moest hiervoor echter nog heel hard werken. Mijn metgezellen kon ik snel achterlaten, doch uit de achtergrond kwamen de Spaanse Burgos en de Italiaanse Cortessa onweerstaanbaar opzetten. Deze twee liepen mij voorbij, maar de anderen kon ik met extra veel inspanningen achter mij houden. Mijn vierde podium op rij was een feit en ... ik mocht naar Athene!

Voor het overige was het seizoen 2003 eentje om vlug te vergeten; dit was na 1997 mijn tweede ‘zwarte’ jaar. Natuurlijk hadden we alleen maar oog voor Athene, meerbepaald 25 augustus 2004. En alle wedstrijden die daarvóór nog werden afgewerkt waren enkel maar ‘in functie van’ . Doch ik kreeg ook graag regelmatig de bevestiging dat we goed bezig waren. Het tegendeel was echter waar. Het ging van kwaad naar erger: ik werd achtereenvolgens 5e, 6e, 11e en 23e in wereldbekerwedstrijden. In Athene, op het ‘testevent’, was ik zelfs pas 27e! Ik moest ver in het verleden teruggaan om nog dergelijke resultaten terug te vinden. In het preolympische jaar werkte dit niet echt rustgevend. Het was zoeken naar de oorzaken, maar de antwoorden waren zo snel nog niet te vinden. Vanzelfsprekend waren er mogelijk enkele (medische) redenen voor deze slechte prestaties: darminfectie, regelmatig optreden van ‘steken in de zij’, blessure aan de knie. Maar konden wij hiermee alles verklaren? Toch maar alle moed bijeenrapen voor het WK in Queenstown begin december. Na een langere voorbereidingsfase in Australië werd weer een bevredigende wedstrijd afgewerkt. Maar de twijfels bleven toch voor een deel aanwezig. Na een evaluatie/analyse van seizoen 2003 werd duidelijk: NIETS mocht aan het toeval worden overgelaten. Alles moest minutieus worden gepland en opgevolgd; we moesten nog meer dan in het verleden streven naar de perfecte voorbereiding.

 

 

 

ARINSO vervoegde BIK om zo het ARINSO-BIK Triatlon Team te vormen, en ik mocht hier weer bijhoren. Na een paar rustweken en een aanloopperiode van een dikke maand werd in Zuid-Afrika een eerste basis gelegd. Ik trachtte me vervolgens te kwalificeren voor Hawaii op de ½ Ironman van Port Elizabeth. Dit paste immers perfect in mijn opbouw naar de Spelen toe en op deze wijze kon ik me eventueel plaatsen voor Hawaii. Na een zege in Bloemfontein kon ik ook de ½ triatlon winnend afsluiten. Conditioneel zat ik in maart dus op schema en in oktober zou ik met een ‘reisje’ naar Hawaii het seizoen kunnen afsluiten.

De tweede voorbereidingsfase liep via een Spaanse stage naar het EK en WK. Vanzelfsprekend wilde ik voor een vijfde opeenvolgende keer op ’t Europees podium komen, doch na een desastreuze zwemstart mocht ik dit al snel uit mijn hoofd zetten. Een 11e plaats was het wel zeer matig resultaat. Op het WK kon ik evenmin potten breken, maar ook hier werden mijn kansen op een goede ‘score’ al tijdens onderwatergevecht in het zwemonderdeel gehypothekeerd. Gevolg: een matige 15e plaats. Maar er was nog steeds geen enkele reden om mijn ongerust te maken; het vooraf uitgekiende schema bleef behouden. Dit zorgde voor een druk ‘vakantieprogramma’: vanaf midden juni op hoogtestage in Sankt-Moritz, in juli onmiddellijk gevolgd door wedstrijden in Luxemburg, Canada en Manchester. En om de laatste puntjes op de ‘i’ te zetten zou ik in augustus nog eens naar Spanje trekken. Hier moest ik mij aanpassen aan het warme klimaat en moest het lichaam voor een laatste maal onderworpen worden aan de laatste intensieve prikkels.

 

   

 

De jaarlijkse hoogtestage in Hotel Stahlbad verliep voor mij (zoals zo vaak) perfect - met dank aan Ann, Herman en het personeel voor de jarenlange voortreffelijke service. Onmiddellijk na deze stage volgde de internationale triatlon van Echternach. Deze wedstrijd kon ik na 2001 voor de tweede keer op mijn naam schrijven, al heb ik voor deze laatste zege wel hard moeten zwoegen. Vanuit Luxemburg ging het dan vrijwel direct richting Corner Brook (Canada), dé wereldbekerwedstrijd die me door het zware parcours het beste lag en waar ik reeds enkele jaren bij een gastgezin in de watten werd gelegd. Het is echt fantastisch om eens niet in een hotelkamertje te moeten verblijven maar in een ontspannen sfeer naar een wedstrijd te kunnen toeleven. Ja, bij de familie Payne voel ik me al sinds 2002 echt thuis. Dit jaar kon ik hen voor de inspanningen van de voorbije jaren bedanken door de zege te pakken op de plaatselijke wereldbekerwedstrijd. Er was weer een lege plek op mijn palmares gevuld en ik kreeg tevens een bijkomende mentale boost.

 

 

De World Cup van Salford (Manchester) stond een week later gepland. Er waren echter voldoende redenen om de race zeer voorzichtig aan te vatten en af te werken. In een koud en regenachtig decor (een echt novemberweertje) gaf ik er na een slechte zwemproef en één fietsronde de brui aan. Ik kon/mocht geen enkel risico nemen.

Na enkele dagen op het thuisfront vertrok ik met mijn ventje naar Spanje. Dit was de ideale plek om tijdens de laatste weken met z’n tweetjes, in alle rust en weg van alle drukte, naar D-day toe te werken. De trainingen waren wel minder rustig. Maar als je zolang naar een wedstrijd hebt uitgekeken, dan is het echt niet moeilijk om in die ultieme intensieve trainingssessies alles uit je kas te halen. Het was echt geen lachertje om bijvoorbeeld ’s morgens 90km te fietsen en onmiddellijk daarna in een hitte van 30 tot 35°C een 12km lange looptraining af te werken, met snelle stukken van 200m tot 1000m. Maar deze moeilijke uurtjes werden ruimschoots goedgemaakt door de zon, de zee, het olympische openluchtzwembad, het Spaanse leven en de aanwezigheid van mijn levensgezel. De eerste olympische dagen hebben we daar beide op het scherm gevolgd. En telkens ik een medaille-uitreiking zag kwam telkens dezelfde gedachte in mij op:”Wat zou het toch leuk zijn om daar ook te staan.”

Op 19 augustus was het dan zover: mijn vertrek naar Athene, samen me Jul en Mieke Suys. Zaak was nu om in  alle rust en kalmte naar de wedstrijd toe te leven. Eens ik in Athene aankwam wist ik wel direct waarom ik na 2000 het nog eens allemaal wou meemaken: je wordt overweldigd door het grootste media- en sportevenement dat onze aarde rijk is en je komt in contact met de allerbeste nationale en internationale atleten. Dit is voor geen geld van de wereld te missen. Maar mijn wedstrijd moest uiteraard hét hoogtepunt worden van mijn verblijf. En dit werd het ook. We wisten op voorhand dat het zwemmen medebepalend was voor het verdere verloop. Dit onderdeel verliep matig: ik kwam in een tweede achtervolgende groep uit het water, op ongeveer 1min20 van de kopgroep. Dit moest tijdens de immens zware fietsproef worden goedgemaakt. Op de eerste van de zes beklimmingen had ik de eerste achtervolgende groep reeds beet. En tijdens de tweede ronde besliste ik er alleen op uit te trekken. Het waren immers de Olympische Spelen en ik was niet van plan om nog eens mijn benen stil te houden na het jarenlange labeur - op vele wereldbekerwedstrijden was/is dit helaas vaak het geval. In de voorlaatste ronde kon ik leiders bijna aanraken, maar tot op heden heb ik nog steeds spijt dat ik die laatste 5 seconden met de kopgroep niet heb kunnen dichten. Maar de fierheid over mijn prestatie overheerst gelukkig nog; ik had toch mede de wedstrijd gekleurd en dit werd aan de finish beloond met een prachtige vierde stek. Een medaille zou natuurlijk de ultieme beloning zijn geweest, maar de latere winnares Oostenrijkse Allen had hier een stokje voorgestoken. Doch de lofbetuigingen dat ik na mijn race van verschillende internationale sporters in het atletendorp kreeg toegeworpen, dit was gewoonweg prachtig.

 

 

Na nog enkele dagen ‘genieten’ en een leuke viering in Lommel had ik niet veel tijd om uit te blazen; er restte namelijk nog een ‘ironmanneke’ in Hawaii. De tijd was kort, véél te kort zoals later zou blijken. Toch vertrok ik vol goede moed, samen met de andere geselecteerde atleten van het ARINSO-BIK Triatlon Team. Na mijn opgave in 2001 was het duidelijk dat ik nu niet mocht falen: ik moest de eindmeet halen. Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat ik stiekem hoopte op een top-10 plaats. En na de 3,8 km lange zwemproef zat dit er nog in, doch tijdens het fietsen bleek duidelijk dat ik te weinig kilometers in de benen had. Oververhitte voeten en een tegenwind die mij de volledige 180 km zou vergezellen maakten het alleen nog maar erger. Toen ik aan de afsluitende marathon begon had ik reeds een achterstand van ruim 45 minuten op Nina Kraft. Ik startte toch een beetje gedesillusioneerd aan de 42 km. Maar tijdens de eerste 20 km vloog ik: er waren er slechts weinigen die mij voorbijsnelden, terwijl ikzelf tientallen triatletes voorbijliep. Het laatste uur kreeg ik echter nog een serieuze mokerslag, zodat ik terug een paar plaatsen moest prijsgeven. Ik werd uiteindelijk 17e, en hier wou ik zeker niet meer terugkomen. Na een weekje vakantie nam ik echter samen met mijn man het besluit er nog één jaartje bij te doen. En Hawaii zou ‘het eindpunt’ moeten worden.

Ik kan mijn verhaaltje gelukkig wel nog afsluiten met een zeer positieve noot: in de ‘Carré’ werd ik eind 2004 unaniem verkozen tot “Triatleet/Triatlete van het Jaar”. Ik heb het wel eens moeilijk gehad met het gebrek aan erkenning door pers en media. Deze trofee (een prachtig kunstwerk trouwens) betekende voor dan ook enorm veel. Bedankt voor het respect!

[terug naar top]

 

 

 

 

Vragen en/of opmerkingen over deze website kunnen steeds verzonden worden naar kathleensmet@hotmail.com